De Illusie van Westerse Superioriteit

Door Frank Dumon
1: De Illusie van Westerse Superioriteit
De hedendaagse geopolitieke orde bevindt zich in een fase van onomkeerbare transformatie, een realiteit die door het westerse establishment nog steeds consequent wordt ontkend of gebagatelliseerd. , voormalig Singapurees diplomaat en voorzitter van de Veiligheidsraad van de Verenigde Naties, schetst in zijn werk een onverbiddelijk helder beeld van deze verschuiving. Zijn analyse, verankerd in zowel zijn persoonlijke memoires Living the Asian Century als zijn geopolitieke analyse Has China Won?, onthult een fundamenteel gebrek aan strategisch inzicht in Washington en Brussel. Het Westen is niet ten onder gegaan door een externe, overweldigende tegenstander, maar is, zoals Mahbubani het treffend formuleert, "in zijn ondergang ingeslapen". Deze slaapwandeling is het directe gevolg van een diepgewortelde arrogantie, een verouderd buitenlands beleid en een institutionele hypocrisie die de geloofwaardigheid van de westerse wereldorde ondermijnt.
De arrogantie van het 'Einde van de Geschiedenis'
Na de ineenstorting van de Sovjet-Unie koesterde het Westen de zelfvoldane overtuiging dat de liberale democratie en de vrije markteconomie het definitieve eindpunt van de menselijke ontwikkeling vertegenwoordigden. Deze hubris leidde tot een fatale misrekening: het Westen verwarde een historisch moment met permanentie. Mahbubani wijst er herhaaldelijk op dat de tweehonderd jaar van westerse dominantie over de wereldgeschiedenis (ruwweg van 1820 tot heden) in feite een historische aberratie waren. Van het jaar 1 tot 1820 waren de twee grootste economieën van de wereld onveranderlijk die van China en India. De opkomst van Europa en Noord-Amerika was een uitzondering op de regel, geen universele wetmatigheid [[6]].
In plaats van deze terugkeer naar de historische norm te erkennen als een natuurlijke herverdeling van globale invloed, interpreteerde het Westen de opkomst van Azië als een existentiële bedreiging voor de 'op regels gebaseerde internationale orde'. Deze orde is echter niets meer dan een euphemisme voor een systeem dat door het Westen is opgesteld, door het Westen wordt beheerd en primair in het voordeel van het Westen werkt. Mahbubani stelt dat het Westen in slaap viel terwijl de rest van de wereld wakker werd. Terwijl Washington en Europese hoofdsteden verwikkeld waren in eindeloze debatten over identiteitspolitiek en kortetermijnverkiezingscycli, bouwden Aziatische samenlevingen aan infrastructuur, onderwijs en technologische soevereiniteit.
Deze arrogantie manifesteert zich in de neiging van westerse leiders om neer te kijken op niet-westerse samenlevingen, in de veronderstelling dat deze landen uiteindelijk het westerse model zullen kopiëren. Deze veronderstelling is niet alleen historisch onjuist, maar ook cultureel blind. Azië zoekt geen westerse goedkeuring meer. De opkomst van de Aziatische middenklasse, die volgens Mahbubani de grootste menselijke prestatie van de afgelopen eeuw vertegenwoordigt, heeft een nieuw zelfvertrouwen gecreëerd dat niet langer bereid is om zich te schikken naar westerse moraliserende preken. Het Westen weigert te onderkennen dat de wereld niet op weg is naar een uniforme westerse monocultuur, maar naar een multi-civilisatorische realiteit waarin verschillende waardenstelsels naast elkaar moeten bestaan.
Strategische misrekeningen in het buitenlands beleid
Een van de scherpste kritiekpunten in Mahbubani's analyse is de westerse obsessie met geopolitieke ingrepen en regimeverandering als middel om mondiale doelen te bereiken. De veronderstelling dat stabiliteit en goed bestuur van buitenaf kunnen worden afgedwongen, is een van de meest destructieve illusies van de post-Koude Oorlogse periode. Mahbubani benadrukt dat ingrepen in het Midden-Oosten en daarbuiten geen anomalieën waren in een verder verlicht buitenlands beleid, maar symptomen van een systeem dat dwang normaliseert als instrument van staatskunst [[1]].
Deze aanpak heeft niet alleen geleid tot de destabilisatie van hele regio's, maar heeft ook een immense morele en financiële tol geëist van de westerse samenlevingen zelf. Het failliet van dit beleid wordt pijnlijk duidelijk wanneer men de westerse aanpak contrasteert met de opkomst van Azië. China heeft zijn economische transformatie, waarbij honderden miljoenen mensen uit extreme armoede werden getrokken, grotendeels vreedzaam bewerkstelligd. Mahbubani noemt deze vreedzame opkomst een "geschenk aan de wereld", aangezien historische precedenten aantonen dat de opkomst van nieuwe grootmachten vaak gepaard ging met agressieve veroveringsoorlogen [[11]].
In plaats van deze vreedzame integratie te waarderen en te faciliteren, reageert het Westen met containment-strategieën, sancties en diplomatieke intimidatie. Deze reflexmatige agressie onthult een diepe hypocriete laag in het westerse discours over mensenrechten en internationale wetgeving. Het Westen claimt de morele suprematie te bezitten, maar sluit ondertussen de ogen voor de catastrofale gevolgen van zijn eigen acties of die van zijn bondgenoten. De selectieve verontwaardiging – waarbij schendingen door rivalen luidkeels worden veroordeeld, terwijl eigen strategische fouten worden gerelativeerd – heeft de westerse geloofwaardigheid uitgehold.
Zoals Mahbubani in recente interviews opmerkte, is het Westen een "keizer zonder kleren" geworden: een macht die nog steeds doet alsof het de wereld leidt, maar wiens morele en strategische autoriteit in werkelijkheid is verdwenen [[3]]. De weigering om diplomatieke oplossingen te zoeken met tegenstanders, en de voorkeur voor sancties en druk, is geen teken van kracht, maar van strategische impotentie.
Institutionele hypocrisie en verouderde structuren
De architectuur van de huidige mondiale governance – inclusief de Verenigde Naties, het Internationaal Monetair Fonds (IMF) en de Wereldbank – werd in 1945 ontworpen op het absolute hoogtepunt van de westerse macht. Destijds was deze structuur een weerspiegeling van de realiteit. Vandaag de dag is het een monument voor historische traagheid en institutionele hypocrisie. Mahbubani wijst op een bijzonder illustratief statistisch gegeven: in het jaar 2000 was de gecombineerde economie van de Europese Unie acht keer groter dan die van China. Op basis van die economische realiteit was een disproportioneel hoge westerse vertegenwoordiging in internationale instellingen nog enigszins te verdedigen [[11]].
Vandaag zijn de economieën van de EU en China ongeveer even groot, en tegen 2050 zal de Europese economie naar verwachting slechts de helft van de Chinese omvang beslaan. Desondanks blijft de EU aandringen op een IMF-stemaandeel van circa 27%, terwijl China, dat een veel groter deel van het wereldwijde BNP vertegenwoordigt, is beperkt tot ongeveer 6%. Deze weigering om stemrechten aan te passen aan de economische realiteit van de 21e eeuw is niet slechts een technisch bestuursprobleem; het is een politieke keuze die de diepgewortelde weigering van het Westen blootlegt om macht te delen. Het Westen eist dat opkomende machten zich houden aan de 'regels', maar weigert zelf de regels aan te passen wanneer die niet langer in zijn voordeel werken.
Deze hypocrisie is het meest schrijnend zichtbaar in de samenstelling van de Veiligheidsraad van de VN. De vijf permanente leden met vetorecht vertegenwoordigen de grootmachten van 1945, niet die van vandaag. Mahbubani heeft herhaaldelijk gewezen op de absurditeit dat het Verenigd Koninkrijk, wiens economie in het jaar 2000 nog 3,5 keer groter was dan die van India maar vandaag de dag kleiner is, zijn permanente zetel behoudt, terwijl India, dat op weg is om tegen 2050 een economie te hebben die vier keer zo groot is als de Britse, wordt uitgesloten [[11]]. De suggestie dat het Verenigd Koninkrijk zijn zetel uit beleefdheid en strategisch inzicht zou moeten overdragen aan India, werd door Mahbubani in de Financial Times gepubliceerd, wat aantoont dat er binnen het Westen wel degelijk stemmen zijn die deze realiteit onderkennen. Toch blijft de institutionele traagheid overheersen.
Om deze impasse te doorbreken, heeft Mahbubani de '7-7-7-formule' voorgesteld voor de hervorming van de Veiligheidsraad: zeven permanente leden (waaronder een gezamenlijke EU-zetel, India, Brazilië en een Afrikaanse vertegenwoordiger), zeven semi-permanente leden die rouleren om regionale spanningen te verminderen, en zeven gekozen leden om kleinere staten een eerlijke kans te geven [[11]]. Deze pragmatische oplossing creëert winnaars in plaats van verliezers en zou de legitimiteit van de VN kunnen herstellen. De weigering van de huidige leden om dergelijke hervormingen serieus te overwegen, vloeit voort uit een 'strategische zelfvernederingsdrang': het vasthouden aan een illusoire status ten koste van toekomstige relevantie.
Deze institutionele hypocrisie strekt zich ook uit tot de westerse benadering van allianties. Terwijl het Westen dringt op 'waardegedreven' allianties die in feite exclusieve, op tegenstanders gerichte blokken zijn, omarmt Azië een inclusiever model. De ASEAN-landen bijvoorbeeld, oordelen niet over elkaars interne politieke systemen, maar werken samen op basis van wederzijds respect en pragmatische belangen. Dit multi-civilisatorische model, dat diversiteit accepteert in plaats van uniformiteit op te leggen, blijkt veerkrachtiger dan de starre westerse alliantiestructuren die onder toenemende interne spanningen gebukt gaan.
Conclusie van deel 1
De illusie van westerse superioriteit is niet langer een onschuldig zelfbedrog; het is een actieve belemmering voor mondiale stabiliteit. De arrogantie van het 'Einde van de Geschiedenis', het vertrouwen in dwang als politiek instrument, en de krampachtige verdediging van verouderde institutionele machtsstructuren, hebben het Westen in een strategische doodlopende steeg gedreven. Mahbubani's boodschap is helder: de opkomst van Azië is geen tijdelijke fluctuatie die kan worden teruggedraaid door sancties of retoriek. Het is een historische correctie.
De ware uitdaging voor het Westen ligt niet in het 'stoppen' van China of het indammen van Azië, maar in het overwinnen van zijn eigen psychologische barrières. Zolang westerse leiders niet in staat zijn om de wereld te zien zoals hij is, in plaats van hoe zij wensen dat hij was, zullen ze blijven reageren met reflexmatige agressie en diplomatieke incompetentie. De transitie naar een multi-civilisatorische wereldorde vereist nederigheid, een eigenschap die in de huidige westerse hoofdsteden schrijnend afwezig is.
2: De Onstuitbare Opkomst van Azië en de 'Aziatische Eeuw'
Wie de huidige geopolitieke verschuivingen wil begrijpen, kan niet volstaan met een analyse van westerse tekortkomingen alleen. De andere zijde van de medaille is minstens zo belangrijk: de ongekende economische en sociale transformatie die zich de afgelopen halve eeuw in Azië heeft voltrokken. Kishore Mahbubani is bij uitstek de figuur die deze transformatie van binnenuit kan duiden. Zijn persoonlijke levensloop is onlosmakelijk verbonden met de opkomst van de regio, en zijn diplomatieke carrière heeft hem een ongeëvenaard inzicht gegeven in de drijfveren van de Aziatische grootmachten. In dit tweede blok verkennen we de wortels van deze opkomst, van het Singaporese wonder tot de pragmatische strategie van Beijing, en plaatsen we deze ontwikkelingen in het bredere perspectief van een wereld die onherroepelijk naar een nieuw zwaartepunt verschuift.
Van derdewereldland tot wereldmacht: het Singaporese wonder
In Living the Asian Century beschrijft Mahbubani zijn jeugd in het Singapore van de jaren vijftig met een nuchterheid die kenmerkend is voor zijn hele oeuvre. Hij groeide op in armoede, in een multi-etnische wijk waar Chinese, Indiase en Maleise gezinnen zij aan zij leefden onder de tropische hitte van een Britse kroonkolonie die nauwelijks uitzicht bood op een betere toekomst. De verwachting was dat hij na de middelbare school een bescheiden bestaan zou opbouwen als textielverkoper, net als veel van zijn neven en nichten die na de traumatische deling van India waren verspreid over de wereld, van Guyana tot Hongkong. Vrijwel geen van hen zou ooit een universiteitsdiploma behalen.
Het lot van Mahbubani nam een andere wending dankzij een overheidsbeurs die hem naar de Universiteit van Singapore stuurde, en vier jaar later naar het Ministerie van Buitenlandse Zaken van een land dat zelf nog in de kinderschoenen stond. Singapore had in 1959 intern zelfbestuur verkregen en zou pas in 1965, na een pijnlijke scheiding van Maleisië, volledige onafhankelijkheid bereiken. De parallellen tussen de persoonlijke groei van Mahbubani en de nationale transformatie van Singapore zijn treffend: beiden kwamen uit de marge en beiden zouden uitgroeien tot spelers van wereldformaat.
De architecten van deze transformatie, Lee Kuan Yew en zijn belangrijkste strateeg Goh Keng Swee, hanteerden een benadering die radicaal verschilde van de ideologische dogma's die destijds in zowel westerse als postkoloniale hoofdsteden de boventoon voerden. Waar veel nieuw onafhankelijke staten kozen voor importsubstitutie, nationalisatie en retoriek tegen het voormalige koloniale moederland, omarmde Singapore een pragmatisch model dat buitenlandse investeringen aantrok, onderwijs als hoogste prioriteit beschouwde en corruptie met ijzeren hand bestreed. Lee Kuan Yew begreep dat een kleine stadstaat zonder natuurlijke hulpbronnen alleen kon overleven door slimmer, efficiënter en betrouwbaarder te zijn dan zijn buren.
Mahbubani benadrukt dat het Singaporese model geen blauwdruk is die klakkeloos kan worden gekopieerd, maar dat de onderliggende principes universeel toepasbaar zijn. Het eerste principe is pragmatisme boven ideologie: beleid wordt beoordeeld op resultaten, niet op doctrinaire zuiverheid. Het tweede principe is langetermijndenken: waar westerse democratieën gevangen zitten in verkiezingscycli van vier of vijf jaar, plande Singapore in decennia. Het derde principe is meritocratie: de besten worden geselecteerd voor de belangrijkste posities, ongeacht hun etnische of sociale achtergrond. Mahbubani zelf is het levende bewijs van dit laatste principe: een jongen uit een arm Hindoe-gezin die uiteindelijk de voorzittershamer van de VN-Veiligheidsraad zou hanteren.
De relevantie van het Singaporese verhaal voor de bredere Aziatische opkomst kan moeilijk worden overschat. Singapore was de proeftuin, het laboratorium dat aantoonde dat een Aziatische samenleving in één generatie de sprong kon maken van de Derde Wereld naar de Eerste. De lessen die hier werden geleerd, vonden hun weg naar de bestuurskamers in Kuala Lumpur, Bangkok, Jakarta en uiteindelijk ook naar Beijing. De Aziatische eeuw is niet begonnen met de opkomst van China, maar met de stille revolutie in kleine, vastberaden stadstaten en naties die weigerden zich neer te leggen bij de rol die het Westen voor hen had gereserveerd.
De pragmatische opkomst van China
De opkomst van China is het meest besproken en tegelijkertijd het meest verkeerd begrepen fenomeen van de eenentwintigste eeuw. In Has China Won? ontleedt Mahbubani de diepe kloof tussen de westerse perceptie van China en de Aziatische realiteit. Het Westen beoordeelt China door de lens van zijn eigen waarden en verwachtingen, en concludeert vervolgens dat het Chinese model onhoudbaar is omdat het niet voldoet aan westerse normen van politieke participatie en individuele vrijheid. Deze analyse is, volgens Mahbubani, fundamenteel onjuist omdat ze voorbijgaat aan wat de Chinese bevolking zelf als de belangrijkste verworvenheid van de afgelopen decennia beschouwt: de bevrijding van chaos en armoede.
Mahbubani formuleert het contrast tussen de Amerikaanse en Chinese benadering met een reeks pregnante tegenstellingen. Amerika hecht de hoogste waarde aan individuele vrijheid; China hecht de hoogste waarde aan vrijheid van chaos. Amerika koestert strategische besluitvaardigheid en snelle actie; China koestert geduld en langetermijnplanning. Amerika is in toenemende mate een samenleving van blijvende ongelijkheid geworden; China heeft zichzelf getransformeerd tot een meritocratie waarin honderden miljoenen mensen in twee generaties uit de armoede zijn getild. Amerika heeft het multilateralisme de rug toegekeerd; China verwelkomt het als instrument van internationale legitimiteit.
Deze tegenstellingen zijn geen morele oordelen, maar analytische observaties. Mahbubani wijst er fijntjes op dat de Chinese Communistische Partij, ondanks alle westerse voorspellingen van een nakende ineenstorting, vandaag de dag een hogere mate van publieke steun geniet dan de meeste westerse regeringen. Harvard onderzoek uit 2020 bevestigde dat de tevredenheid van de Chinese bevolking met het centrale bestuur boven de negentig procent lag, een cijfer dat in Washington of Londen ondenkbaar zou zijn. De reden hiervoor is eenvoudig en pragmatisch: de gemiddelde Chinese burger heeft in zijn of haar leven een materiële vooruitgang meegemaakt die zijn weerga niet kent in de menselijke geschiedenis.
Een cruciaal element van de Chinese strategie is het vermijden van de valkuilen waarin het Westen is getrapt. Waar Washington de afgelopen decennia biljoenen dollars heeft besteed aan buitenlandse operaties die zelden het beoogde resultaat opleverden, heeft Beijing diezelfde middelen geïnvesteerd in binnenlandse infrastructuur, technologische ontwikkeling en het Belt and Road Initiative, dat handelsroutes en economische verbindingen creëert over het hele Euraziatische continent. Mahbubani merkt droogjes op dat elke westerse strategische misrekening in het buitenland in feite een geschenk is aan China, omdat het Beijing in staat stelt zich te concentreren op economische groei terwijl zijn belangrijkste rivaal zich uitput in kostbare en contraproductieve ondernemingen [[video 8]].
De APEC-bijeenkomst in Shenzhen, die Mahbubani in een recent interview analyseerde, is symbolisch voor deze verschuiving [[video 10]]. Shenzhen, veertig jaar geleden nog een onbeduidend vissersdorp, is vandaag een van de meest dynamische technologische centra ter wereld, een stad die qua innovatie en ondernemersgeest de vergelijking met Silicon Valley niet hoeft te schuwen. Dat een dergelijke bijeenkomst juist daar plaatsvindt, onderstreept dat het zwaartepunt van de wereldeconomie onherroepelijk naar de Stille Oceaan is verschoven.
193 hutten op één boot
Een van de meest krachtige metaforen die Mahbubani hanteert, is die van de 193 hutten op één boot. In een geglobaliseerde wereld zijn de 193 lidstaten van de Verenigde Naties niet langer onafhankelijke schepen die elk hun eigen koers kunnen varen; ze zijn hutten op hetzelfde schip, onderworpen aan dezelfde stormen en afhankelijk van dezelfde structurele integriteit [[video 11]]. Deze metafoor is geen abstracte filosofische constructie, maar een beschrijving van de materiële realiteit van de eenentwintigste eeuw. Klimaatverandering, pandemieën, financiële crises en technologische disruptie respecteren geen nationale grenzen, en geen enkele grootmacht, hoe machtig ook, kan deze uitdagingen in isolatie het hoofd bieden.
De implicaties van deze realiteit zijn verstrekkend voor de geopolitieke verhoudingen. Mahbubani betoogt dat de opkomst van de Aziatische middenklasse, die naar schatting drie miljard mensen omvat, de meest ingrijpende demografische en economische verschuiving in de menselijke geschiedenis vertegenwoordigt. Deze middenklasse is niet geïnteresseerd in westerse ideologische debatten over de 'juiste' vorm van bestuur; zij wil stabiele werkgelegenheid, betrouwbare infrastructuur, goed onderwijs voor haar kinderen en een schone leefomgeving. De politieke systemen die deze behoeften het meest effectief vervullen, zullen de legitimiteit verwerven die in de eenentwintigste eeuw het verschil maakt tussen invloed en irrelevantie.
Zuidoost-Azië biedt in dit opzicht een fascinerend laboratorium. De ASEAN-landen, met hun enorme diversiteit aan politieke systemen, religies en culturen, hebben een samenwerkingsmodel ontwikkeld dat in westerse ogen wellicht rommelig en inefficiënt lijkt, maar dat in de praktijk opmerkelijk veerkrachtig is gebleken. Het ASEAN-principe van niet-inmenging in elkaars binnenlandse aangelegenheden wordt in het Westen vaak bekritiseerd als moreel relativisme, maar Mahbubani verdedigt het als een pragmatische noodzaak in een regio waar de alternatieve benadering – het opleggen van uniforme normen – tot eindeloze spanningen zou leiden.
Vietnam illustreert deze dynamiek op treffende wijze. Het land heeft in de afgelopen decennia een opmerkelijke economische transformatie doorgemaakt, vergelijkbaar met die van China maar op kleinere schaal. Tegelijkertijd navigeert Hanoi een uiterst complexe geopolitieke realiteit: het moet zowel zijn soevereiniteit en territoriale integriteit bewaken ten opzichte van zijn machtige noordelijke buurman, als een productieve economische relatie met datzelfde land onderhouden. Mahbubani's observatie dat een Vietnamese leider tegelijkertijd standvastig en samenwerkingsgericht moet zijn, vat de essentie samen van de diplomatieke uitdaging waar veel middelgrote Aziatische machten voor staan [[video 9]]. Het is een evenwichtsoefening die het Westen, gewend aan binaire denkwijzen van bondgenoten tegenover tegenstanders, maar moeilijk kan bevatten.
De geopolitieke vooruitzichten voor de komende tien tot vijfentwintig jaar wijzen in de richting van een verdere versterking van deze Aziatische dynamiek. Mahbubani voorziet dat de zogenaamde 'CIA-landen' – China, India en ASEAN – tegen 2050 gezamenlijk een groter deel van het mondiale BNP zullen vertegenwoordigen dan de gehele westerse wereld [[video 7]]. India, met zijn jonge bevolking en groeiende technologische sector, zal naar verwachting de derde economie van de wereld worden. De ASEAN-regio, met haar strategische ligging en groeiende interne markt, zal een steeds belangrijkere rol spelen als brug tussen de grootmachten.
Deze verschuiving is geen zero-sum spel waarin Azië wint en het Westen verliest. In de metafoor van de 193 hutten op één boot is de welvaart van de ene hut niet per definitie ten koste van de andere. De uitdaging is veeleer om de governance-structuren van de boot aan te passen aan de nieuwe verdeling van passagiers, zodat alle hutten eerlijk worden vertegenwoordigd in het beheer van het schip. Zolang het Westen weigert deze aanpassing te maken, zal het risico op structurele instabiliteit toenemen, niet omdat Azië de boot wil laten zinken, maar omdat de huidige verdeling van de roeiriemen niet langer overeenkomt met de realiteit aan boord.
Conclusie van deel 2
De Aziatische eeuw is geen toekomstig scenario; zij is reeds in volle gang. De transformatie van Singapore, de pragmatische opkomst van China en de dynamische groei van Zuidoost-Azië vormen gezamenlijk een historische correctie die de westerse dominantie van de afgelopen twee eeuwen relativeert en plaatst in het bredere perspectief van de menselijke beschaving. Mahbubani's persoonlijke verhaal, verweven met de lotgevallen van zijn regio, biedt een uniek venster op deze transformatie: het is het verhaal van een werelddeel dat zijn eigen toekomst in handen heeft genomen, zonder te wachten op westerse goedkeuring of begeleiding. De vraag is niet of deze verschuiving zal plaatsvinden, maar of het Westen de wijsheid zal opbrengen om zich eraan aan te passen voordat de kosten van verzet ondraaglijk worden. In het volgende blok richten we de blik naar binnen, op de structurele erosie die de westerse democratieën van binnenuit verzwakt en die hun vermogen om adequaat te reageren op deze nieuwe realiteit ernstig ondermijnt.
3: De Interne Erosie van de Amerikaanse Democratie
De externe verschuivingen in de mondiale machtsverhoudingen, die in de voorgaande blokken zijn geschetst, vormen slechts de helft van het verhaal dat Kishore Mahbubani vertelt. De andere, wellicht nog zorgwekkender helft, betreft de interne erosie van de westerse democratieën, en in het bijzonder de Verenigde Staten. Terwijl Washington zijn blik krampachtig naar buiten richt om de opkomst van Azië in te dammen, verzuimt het de structurele aftakeling van binnenuit te adresseren. In zijn analyse, verwoord in zowel Has China Won? als in zijn vele lezingen en interviews, ontmaskert Mahbubani de mythe van de Amerikaanse vitaliteit. De supermacht is niet in gevaar door de opkomst van een externe rivaal, maar door het eigen onvermogen om de belangen van de eigen bevolking te dienen en een samenhangende strategie voor de lange termijn te formuleren.
Van democratie naar plutocratie
Een van de meest provocerende stellingen die Mahbubani in zijn werk naar voren brengt, is de constatering dat de Amerikaanse democratie haar eigen burgers in de steek laat ten gunste van grote ondernemingen en economische elites [[video 4]]. Het Westen is gewend om naar de rest van de wereld te kijken als een leraar die de lessenaar controleert, maar wanneer de spiegel wordt voorgehouden, blijkt het eigen systeem ernstige gebreken te vertonen. De kern van deze erosie is de transformatie van een democratie, waarin de wil van het meerderheidsvolk leidend zou moeten zijn, naar een plutocratie, waarin het beleid wordt gedicteerd door degenen met de meeste financiële middelen.
De empirische onderbouwing voor deze stelling is overweldigend. Sinds de jaren zeventig van de vorige eeuw heeft de onderste vijftig procent van de Amerikaanse bevolking geen enkele reële stijging van het inkomen gekend. De vruchten van de economische groei zijn vrijwel volledig geoogst door de bovenste procent. Deze economische stagnatie gaat gepaard met een alarmerende maatschappelijke aftakeling. De levensverwachting in de VS daalt, een uniek fenomeen voor een ontwikkeld land, gedreven door wat Mahbubani en andere analisten de 'diseases of despair' noemen: maatschappelijke ontwrichting, publieke gezondheidscrisissen en een afbrokkelende sociale cohesie. De publieke infrastructuur, ooit de trots van de natie, verkeert in verval, en het onderwijsstelsel vertoont scheuren die de sociale mobiliteit belemmeren.
Mahbubani contrasteert deze Amerikaanse realiteit scherp met de ontwikkeling in China. Waar het Westen China beoordeelt op het ontbreken van meerpartijenverkiezingen, kijkt Mahbubani naar de materiële resultaten en de mate van publieke tevredenheid. Hij wijst op de opmerkelijke transformatie van de Chinese Communistische Partij. Is zij in het Westen het symbool van een starre, ideologische dictatuur, in de praktijk heeft zij zich ontwikkeld tot een hoogst efficiënte meritocratie. De partij is niet langer de ideologische organisatie van het Mao-tijdperk, maar een pragmatische bestuursmachine die haar legitimiteit baseert op prestaties, en specifiek op het onophoudelijk verbeteren van de levensstandaard van de bevolking.
Een veelvuldig door Mahbubani aangehaald empirisch bewijs hiervoor is het langlopende onderzoek van de Harvard Kennedy School. Dit onderzoek toonde aan dat de tevredenheid van de Chinese bevolking met het centrale bestuur consequent boven de negentig procent ligt, een cijfer dat in de westerse hoofdsteden volkomen ondenkbaar is. De gemiddelde burger ervaart de overheid niet als een vijandige bureaucratie, maar als de architect van een ongekende materiële vooruitgang. In de VS daarentegen tonen studies, zoals het baanbrekende werk van Gilens en Page van Princeton, aan dat de beleidsvoorkeuren van de gemiddelde Amerikaan nagenoeg geen enkele statistische invloed hebben op het uiteindelijke overheidsbeleid. De wetgeving wordt vrijwel uitsluitend bepaald door de wensen van de economische elites en de georganiseerde belangengroepen.
De tragiek van deze ontwikkeling is dat de VS, terwijl het de wereld de les leest over democratie en vrijheid, zelf de fundamentele kenmerken van een functionerende democratie aan het verliezen is. Het systeem is vastgelopen in een destructieve polarisatie, waarin politieke compromissen onmogelijk zijn geworden en de institutionele remmen en tegenwichten worden uitgehold. Mahbubani's boodschap is helder: een samenleving die er niet in slaagt om de levensstandaard en de hoop van de eigen onderste helft van de bevolking te verbeteren, verliest het morele recht om andere samenlevingen de maat te nemen.
De zero-sum valkuil
Deze interne kwetsbaarheden worden verergerd door een buitenlands beleid dat is doordrenkt van een fundamentele denkfout: de aanname dat internationale betrekken een zero-sum spel zijn. In de Amerikaanse strategische doctrine, en in toenemende mate ook in de Europese hoofdsteden, is de overtuiging verankerd dat elke winst voor China automatisch een verlies voor de Verenigde Staten betekent [[video 2]]. Deze reflexmatige concurrentie, die uitmondt in strategieën van containment, decoupling en technologische blokkades, is volgens Mahbubani niet alleen contraproductief, maar ook een gevaarlijke afleiding van de eigen binnenlandse prioriteiten [[video 8]].
De zero-sum benadering negeert de fundamentele aard van de Chinese opkomst. China's succes is primair een binnenlandse overwinning op de armoede. De transformatie van een agrarische, verarmde samenleving naar een industriële en technologische grootmacht, waarbij honderden miljoenen mensen werden opgetild uit extreme ellende, is geen bedreiging voor de Amerikaanse burger; het is een historische prestatie van mondiale proporties. Wanneer de VS echter besluit om deze opkomst te zien als een existentiële bedreiging, en vervolgens miljarden dollars en immense politieke energie investeert in het 'stoppen' van China, verandert het een niet-conflictueuze economische verschuiving in een daadwerkelijk geopolitiek conflict.
Mahbubani benadrukt dat de obsessie met het neerhalen van een andere grootmacht een klassiek voorbeeld is van strategische zelfverzwakking. Elke keer dat Washington zich vastloopt in een kostbaar geopolitiek avontuur, of het nu gaat om de langdurige engagementen in het Midden-Oosten of de huidige, allesoverheersende focus op Azië ten koste van binnenlandse investeringen, verzwakt het de eigen fundamenten. De middelen, de intellectuele capaciteit en de politieke aandacht die worden besteed aan het indammen van China, ontbreken vervolgens voor de broodnodige vernieuwing van de Amerikaanse infrastructuur, het onderwijs en de sociale zekerheid.
De "keizer zonder kleren"-metafoor is in deze context meer dan ooit van toepassing [[video 3]]. De VS predikt een op regels gebaseerde orde en vrije markten, maar zodra een concurrent, in dit geval China, binnen die regels succesvoller blijkt te zijn, worden de regels eenzijdig veranderd of worden protectionistische maatregelen genomen. Deze selectieve toepassing van het internationaal recht ondermijnt de geloofwaardigheid van het westerse discours. Het Westen eist dat China zich houdt aan de 'regels', maar weigert zelf de consequenties te aanvaarden van een wereld waarin het niet langer de enige scheidsrechter is.
De ware competitie, zo betoogt Mahbubani, zou niet moeten gaan over wie de ander kan uitschakelen, maar over wie de eigen samenleving het beste kan besturen. Als de VS zich zou concentreren op het oplossen van de eigen binnenlandse problemen – de ongelijkheid, de infrastructurele achterstand, de maatschappelijke verdeeldheid – zou het vanzelf zijn mondiale leiderschap herwinnen, gebaseerd op aantrekkingskracht en voorbeeldwerking in plaats van op dwang en intimidatie. De zero-sum valkuil is een afleiding, een manier voor de politieke elite om de aandacht af te leiden van het eigen falen door een externe zondebok aan te wijzen.
Het gebrek aan langetermijnstrategie in Washington
Een van de meest in het oog springende contrasten tussen de opkomst van Azië en de stagnatie van het Westen is het verschil in tijdshorizon. De geopolitieke vooruitzichten voor de komende decennia worden niet bepaald door wie de beste tactische zetten doet, maar door wie het beste in staat is om een samenhangende langetermijnstrategie te formuleren en uit te voeren [[video 7]]. Op dit vlak is het verschil tussen Washington en Beijing niet groter denkbaar.
De Amerikaanse politiek is gevangen in de korte termijn van de verkiezingscyclus. Met een cyclus van twee jaar voor het Huis van Afgevaardigden en vier jaar voor het presidentschap, wordt het beleid gedicteerd door de waan van de dag, de volgende opiniepeiling en de dreiging van primaire verkiezingen. Dit leidt tot een chronische inconsistentie in het buitenlands beleid. Internationale akkoorden worden gesloten door de ene president, om vier jaar later door de volgende weer te worden verbroken. Allianties worden versterkt, om vervolgens te worden bedreigd met opzegging. Deze onvoorspelbaarheid maakt de VS tot een onbetrouwbare partner en ondermijnt het vermogen om een duurzame mondiale strategie uit te rollen.
China daarentegen opereert met een tijdshorizon die voor westerse ogen bijna onbevattelijk is. De Chinese leiding plant in decennia, met concrete meerjarenplannen en een langetermijnvisie die reikt tot de honderdste verjaardag van de Volksrepubliek in 2049. Deze strategische continuïteit stelt Beijing in staat om enorme infrastructurele projecten, zoals het Belt and Road Initiative, of technologische sprongen voorwaarts in kunstmatige intelligentie en groene energie, met geduld en volharding na te streven, ongeacht de kortetermijnschokken van de mondiale conjunctuur.
Mahbubani wijst er fijntjes op dat de Verenigde Staten de huidige geopolitieke competitie niet verliezen omdat China zo goed is, maar omdat de VS zichzelf saboteert door een structureel gebrek aan strategische continuïteit [[video 9]]. De Amerikaanse elite is zo gewend geraakt aan de positie van enige supermacht dat men niet meer in staat is om de wereld te zien als een complex schaakbord met meerdere spelers die elk hun eigen langetermijndoelen nastreven. In plaats van een doordachte strategie te formuleren die de eigen sterke punten (innovatie, allianties, zachte macht) maximaliseert en de eigen zwakke punten adresseert, reageert Washington met ad-hoc maatregelen en protectionistische reflexen.
Dit gebrek aan langetermijnstrategie is niet slechts een technisch bestuursprobleem; het is een symptoom van een dieper cultureel en institutioneel verval. Een samenleving die niet meer in staat is om investeringen te doen waarvan de baten pas over twintig of dertig jaar zichtbaar worden – zoals fundamenteel wetenschappelijk onderzoek, klimaatadaptatie of infrastructurele vernieuwing – is een samenleving die de grip op de toekomst aan het verliezen is. China heeft dit begrepen en handelt ernaar. De VS blijft hangen in de nostalgie van een unipolair moment dat voorgoed voorbij is.
Conclusie van deel 3
De interne erosie van de Amerikaanse democratie is de meest onderschatte variabele in de huidige geopolitieke vergelijking. De transformatie van een democratie naar een plutocratie, de destructieve obsessie met een zero-sum concurrentie met China, en het chronische gebrek aan een samenhangende langetermijnstrategie, vormen gezamenlijk een bedreiging die van binnenuit komt. Mahbubani's analyse is een ontnuchterende spiegel voor het Westen: de opkomst van Azië is niet de oorzaak van het westerse verval, maar slechts de context waarin dit verval pijnlijk zichtbaar wordt.
Zolang de westerse, en in het bijzonder de Amerikaanse, politieke elite niet de moed opbrengt om de eigen binnenlandse structurele tekortkomingen aan te pakken, zal elke poging om de opkomst van Azië te stuiten gedoemd zijn te mislukken. De ware competitie van de eenentwintigste eeuw gaat niet over wie de ander kan vernietigen, maar over wie de eigen samenleving het meest effectief ten dienste kan staan van het algemeen welzijn. In het volgende en afsluitende blok zullen we de blik richten op de toekomst: de onvermijdelijke transitie naar een multi-civilisatorische wereldorde en de noodzaak voor het Westen om zijn rol in die nieuwe realiteit te herdefiniëren.
4: Naar een Multicivilisatorische Wereldorde
De analyse van de westerse strategische misrekeningen, de onstuitbare Aziatische opkomst en de interne erosie van de Amerikaanse democratie leidt onvermijdelijk tot één fundamentele vraag: hoe ziet de wereld eruit wanneer deze transformaties zich hebben voltrokken? Kishore Mahbubani's antwoord is helder en onverbiddelijk: wij bewegen ons naar een multi-civilisatorische wereldorde, een realiteit die het Westen nog steeds weigert te erkennen, laat staan te omarmen. In dit afsluitende blok schetsen we de contouren van deze nieuwe wereld, de noodzaak van een fundamenteel andere diplomatieke benadering, en de geopolitieke kaart van 2050 zoals die zich langzaam maar zeker aftekent. De boodschap is duidelijk: de toekomst behoort niet aan hen die vasthouden aan een vervlogen unipolair moment, maar aan hen die de wijsheid bezitten om zich aan te passen aan een wereld waarin meerdere beschavingen naast elkaar bestaan en elkaars legitimiteit erkennen.
Het falen van Europa om de realiteit te onderkennen
Terwijl de aandacht in de geopolitieke analyse vaak uitgaat naar de Verenigde Staten en China, mag de rol van Europa niet worden veronachtzaamd. Mahbubani's kritiek op het Europese establishment is scherp en meedogenloos. In zijn lezingen en geschriften wijst hij herhaaldelijk op het fundamentele onvermogen van de Europese leiders om de historische realiteit te onderkennen [[video 11]]. Het "Trans-Atlantische Rijk", de informele maar dominante westerse alliantie die de wereldorde na 1945 heeft gevormd, is volgens Mahbubani reeds dood, maar Europa weigert dit te accepteren en blijft zich gedragen als een macht die nog steeds de wereld kan sturen [[video 11]].

Deze weigering is niet slechts een kwestie van nostalgisch zelfbedrog; het heeft concrete en schadelijke gevolgen voor het Europese buitenlands beleid. Europese leiders blijven de Verenigde Staten volgen in strategieën die niet in het Europese belang zijn, in de veronderstelling dat de trans-Atlantische band een vanzelfsprekendheid is die geen kritische herwaardering behoeft. Mahbubani wijst erop dat de Europese economie, die in het jaar 2000 nog acht keer groter was dan de Chinese, tegen 2050 zal zijn gekrompen tot slechts de helft van de Chinese omvang [[video 11]]. Desondanks blijft de EU aandringen op een disproportioneel hoog stemrecht in het IMF en andere internationale instellingen, een houding die niet alleen getuigt van historisch besef, maar ook van een fundamenteel gebrek aan strategische visie.
Het falen van Europa manifesteert zich ook in de onvermogen om een zelfstandige positie in te nemen ten opzichte van de opkomende grootmachten. In plaats van een brug te slaan tussen het Westen en het Global Zuiden, of een eigen, op samenwerking gerichte strategie te formuleren, volgt Europa trouw de Amerikaanse lijn van containment en confrontatie. Dit is des te opmerkelijker gezien de historische banden die veel Europese landen hebben met Azië, Afrika en Latijns-Amerika. Mahbubani betoogt dat Europa, als het zijn historische en culturele kapitaal zou aanwenden om dialoog en samenwerking te bevorderen, een unieke en waardevolle rol zou kunnen spelen in de multi-civilisatorische wereldorde. In plaats daarvan kiest het voor de rol van een trouwe vazal, een keuze die getuigt van een gebrek aan strategische autonomie en historisch zelfvertrouwen.
De wortels van dit falen liggen diep. Mahbubani wijst op de Europese neiging om de eigen geschiedenis te idealiseren en de eigen koloniale en imperialistische erfenis te bagatelliseren. Deze selectieve herinnering maakt het moeilijk om de opkomst van niet-westerse machten te zien als een legitieme historische correctie, in plaats van als een bedreiging van de westerse beschaving. Het is deze psychologische barrière die het Westen, en Europa in het bijzonder, belemmert om de transitie naar een multi-civilisatorische wereldorde met open vizier tegemoet te treden.
Diplomatie met tegenstanders, niet alleen met vrienden
Een van de meest fundamentele lessen die Mahbubani uit zijn lange diplomatieke carrière heeft getrokken, is dat echte vooruitgang in de internationale betrekkingen niet wordt geboekt door te praten met bondgenoten, maar door te praten met tegenstanders [[video 6]]. Deze les is eenvoudig maar wordt door het westerse establishment consequent genegeerd. De westerse diplomatie is verworden tot een oefening in preken voor eigen parochie, waarin men zich omringt met gelijkgezinden en vervolgens verbaasd is dat de rest van de wereld niet overtuigd raakt.
Mahbubani benadrukt dat diplomatie per definitie de kunst is van het omgaan met hen met wie men het oneens is. Het is gemakkelijk om samen te werken met landen die dezelfde waarden en belangen delen; de ware uitdaging ligt in het vinden van gemeenschappelijke grond met rivalen. De weigering van het Westen om serieus in dialoog te treden met China, Rusland en andere niet-westerse machten, is geen teken van morele superioriteit, maar van diplomatieke impotentie. Het is een vlucht uit de complexe realiteit van de internationale betrekkingen in de comfortabele illusie van een wereld die in zwart-wit is verdeeld.
Deze weigering tot dialoog heeft concrete en schadelijke gevolgen. In plaats van diplomatieke oplossingen te zoeken voor conflicten, grijpt het Westen terug naar sancties, isolatie en militaire intimidatie. Deze instrumenten zijn niet alleen zelden effectief in het bereiken van de beoogde politieke doelen, maar versterken vaak juist de posities die men tracht te verzwakken. Sancties leiden tot economische hardheid in de doelwitten, maar treffen ook de eigen bevolking en bondgenoten. Isolatie drijft landen in de armen van andere grootmachten, en militaire intimidatie verhoogt het risico op escalatie en conflict.
Mahbubani's eigen ervaring als Singapurees diplomaat en voorzitter van de VN-Veiligheidsraad heeft hem geleerd dat zelfs de diepste tegenstellingen kunnen worden overbrugd door geduldige, respectvolle dialoog. Het ASEAN-model, dat diversiteit accepteert en niet-inmenging als leidend principe hanteert, is hiervan een schoolvoorbeeld. De ASEAN-landen hebben geleerd om samen te werken ondanks fundamentele verschillen in politiek systeem, religie en cultuur, omdat zij begrijpen dat de alternatieven – conflict en isolatie – nog veel schadelijker zijn. Deze pragmatische benadering is wat het Westen zou moeten leren van Azië: niet de bereidheid om de eigen waarden op te geven, maar de wijsheid om te erkennen dat andere samenlevingen het recht hebben om hun eigen weg te volgen.
De multi-civilisatorische wereldorde vereist een fundamenteel andere diplomatieke houding. Het is geen wereld waarin het Westen de normen dicteert en de rest volgt, maar een wereld waarin verschillende beschavingen naast elkaar bestaan en elkaars legitimiteit erkennen. Dit betekent niet dat het Westen zijn eigen waarden moet verloochenen, maar wel dat het moet accepteren dat deze waarden niet universeel zijn en niet met dwang kunnen worden opgelegd. De uitdaging is om een wereldorde te bouwen die ruimte biedt voor diversiteit, maar tegelijkertijd minimale normen handhaaft voor internationale samenwerking en vreedzame co-existentie.
De geopolitieke kaart van 2050
Wanneer we de blik richten op de geopolitieke kaart van 2050, tekent zich een wereld af die fundamenteel verschilt van de unipolaire orde van de jaren negentig en vroege jaren 2000. Mahbubani voorziet dat de zogenaamde 'CIA-landen' – China, India en ASEAN – tegen die tijd gezamenlijk een groter deel van het mondiale BNP zullen vertegenwoordigen dan de gehele westerse wereld [[video 7]]. Deze verschuiving is niet slechts een economische statistiek; het is een fundamentele herverdeling van mondiale invloed en macht.
China zal naar verwachting de grootste economie van de wereld zijn, een positie die het land historisch gezien altijd heeft ingenomen, behalve tijdens de korte, aberrante periode van westerse dominantie. De Chinese economie zal niet langer worden gedreven door goedkope arbeid en export, maar door binnenlandse consumptie, technologische innovatie en groene energie. De vraag is niet of China deze transitie zal maken, maar hoe soepel en succesvol deze zal verlopen. De Chinese leiding heeft de afgelopen decennia bewezen over een opmerkelijk vermogen te beschikken om strategische transities te plannen en uit te voeren, en er is geen reden om aan te nemen dat dit vermogen plotseling zal verdwijnen.
India staat aan de vooravond van een vergelijkbare transformatie. Met een jonge, groeiende bevolking en een bloeiende technologische sector, heeft het land alle ingrediënten om tegen 2050 de derde economie van de wereld te worden [[video 9]]. De uitdaging voor India ligt in het vermogen om de eigen institutionele structuren te versterken, de armoede verder terug te dringen en de sociale cohesie te bewaren in een divers en complex land. Als India hierin slaagt, zal het een cruciale rol spelen in de multi-civilisatorische wereldorde, niet als een tegenwicht tegen China, maar als een zelfstandige grootmacht met eigen belangen en ambities.
De ASEAN-regio zal een steeds belangrijkere rol spelen als brug tussen de grootmachten en als dynamisch economisch centrum. De tien landen van ASEAN, met een gecombineerde bevolking van bijna zevenhonderd miljoen en een groeiende interne markt, vormen een strategisch belangrijke regio die niet kan worden genegeerd door geen enkele grootmacht. De ASEAN-landen hebben de kunst verfijnd van het navigeren tussen grootmachten, het maximaliseren van hun eigen soevereiniteit en het bevorderen van regionale samenwerking. Dit model van pragmatische, inclusieve samenwerking is een waardevol alternatief voor de exclusieve, op tegenstanders gerichte allianties die het Westen prefereert.
Naast deze grote regionale blokken zal het Global Zuiden een steeds prominentere rol spelen in de mondiale governance. De landen van Afrika, Latijns-Amerika en het Midden-Oosten zullen niet langer bereid zijn om de speelbal te zijn van grootmachten, maar zullen hun eigen belangen nastreven en hun eigen stem laten horen. De opkomst van nieuwe multilaterale instellingen, zoals de BRICS en de Shanghai Cooperation Organization, is een teken van deze verschuiving. Deze instellingen zijn niet bedoeld om de westerse orde te vervangen, maar om een alternatief te bieden voor landen die zich niet langer willen schikken naar een door het Westen gedomineerd systeem.
In deze nieuwe wereldorde zullen middelgrote machten een cruciale rol spelen. Landen als Singapore, Zuid-Korea, Indonesië, Turkije en Brazilië zullen de brug slaan tussen de grootmachten en het Global Zuiden, en zullen een belangrijke stem hebben in de vormgeving van de mondiale governance. De uitdaging voor deze landen is om hun eigen soevereiniteit te bewaken, hun economische ontwikkeling te bevorderen en tegelijkertijd bij te dragen aan de stabiliteit en welvaart van de bredere regio.
Conclusie van het artikel
De transitie naar een multi-civilisatorische wereldorde is geen toekomstig scenario; zij is reeds in volle gang. De opkomst van Azië, de interne erosie van de westerse democratieën en de opkomst van het Global Zuiden zijn geen afzonderlijke fenomenen, maar onderling verbonden processen die gezamenlijk de wereldorde van de eenentwintigste eeuw vormgeven. Kishore Mahbubani's analyse, verankerd in zijn persoonlijke ervaringen en zijn diepgaande kennis van de Aziatische en westerse wereld, biedt een onverbiddelijk helder beeld van deze transformatie.
De boodschap is duidelijk: het Westen staat voor een keuze. Het kan vasthouden aan de illusie van zijn eigen superioriteit en proberen de opkomst van de rest van de wereld tegen te houden, een strategie die gedoemd is te mislukken en die alleen maar leidt tot verdere erosie van de eigen fundamenten. Of het kan de wijsheid opbrengen om de nieuwe realiteit te erkennen, de eigen binnenlandse structurele tekortkomingen aan te pakken en zich aan te passen aan een wereld waarin meerdere beschavingen naast elkaar bestaan.
Deze aanpassing vereist nederigheid, een eigenschap die in de huidige westerse hoofdsteden schrijnend afwezig is. Het vereist het loslaten van de arrogantie van het 'Einde van de Geschiedenis' en het erkennen dat de westerse liberale democratie, ondanks alle verworvenheden, niet het definitieve eindpunt van de menselijke ontwikkeling vertegenwoordigt. Het vereist de bereidheid om macht te delen in internationale instellingen, om diplomatie te voeren met tegenstanders in plaats van alleen met bondgenoten, en om de eigen binnenlandse problemen te adresseren in plaats van de aandacht af te leiden met externe conflicten.
De multi-civilisatorische wereldorde is geen utopie; het is een complexe, vaak rommelige realiteit waarin verschillende waardenstelsels naast elkaar moeten bestaan en waarin conflicten onvermijdelijk zijn. Maar het is ook een wereld die ruimte biedt voor diversiteit, voor de opkomst van nieuwe stemmen en voor een meer evenwichtige verdeling van mondiale invloed. De vraag is niet of deze wereldorde zal ontstaan, maar of het Westen de wijsheid zal opbrengen om zich eraan aan te passen voordat de kosten van verzet ondraaglijk worden.
Mahbubani's persoonlijke verhaal, van een arme jongen in het Singapore van de jaren vijftig tot een van de meest gerespecteerde diplomaten en denkers van zijn tijd, is een schoolvoorbeeld van de mogelijkheden die de Aziatische eeuw biedt. Het is een verhaal van hoop, van vooruitgang en van het vermogen van menselijke samenlevingen om hun eigen lot in handen te nemen. De Aziatische eeuw is geen bedreiging voor het Westen; het is een uitdaging, een kans om de eigen fundamenten te vernieuwen en een nieuwe rol te vinden in een wereld die niet langer door het Westen wordt gedomineerd, maar die door alle beschavingen gezamenlijk wordt vormgegeven.
De keuze is aan het Westen. Zal het vasthouden aan een vervlogen verleden, of zal het de moed opbrengen om de toekomst tegemoet te treden met open vizier en nederigheid? De geschiedenis zal oordelen.
Bronnen
YouTube
1. The West has sleepwalked into its downfall | Kishore Mahbubani
https://youtu.be/M42GT-oPXYY
2. China Versus the US: Kishore Mahbubani on a Zero-Sum Rivalry | The Mishal Husain Show
https://youtu.be/f90wHdX8CwY
3. The West is an ‘emperor with no clothes’ - ex UN security council boss
https://youtu.be/beHVDcE_L_0
4. Kishore Mahbubani argues American democracy is failing its people in favour of big business 7/8
https://youtu.be/cESlmS6PCow
5. TFWA Asia Pacific Conference - Session 1: Geopolitics & the next generation – Kishore Mahbubani
https://youtu.be/iIaMqmx8xu4
6. Mahbubani: West should accept reality of a multi-civilizational world
https://youtu.be/uJfpwLRTsf4
7. What will geopolitics look like in the next 10 years? | Kishore Mahbubani, Ajay Bisaria | IIMPact
https://youtu.be/ayHXpoJxA2E
8. Why the United States Is Really Losing to China (w/ Kishore Mahbubani)
https://youtu.be/vomMizlW1cs
9. India vs China vs USA: Who Will Lead the World by 2050?
https://youtu.be/AkPpYllao5E
10. Inside China | Kishore Mahbubani: APEC meeting in Shenzhen could inspire global development
https://youtu.be/7iFfwGYh0DY
11. The Transatlantic Empire Is Already DEAD | Amb. Kishore Mahbubani
https://youtu.be/hk1T7mWgvNE
Boeken
Living the Asian Century: An Undiplomatic Memoir
https://mahbubani.net/living-the-asian-century-an-undiplomatic-memoir/
In this stirring memoir, a preeminent politician and diplomat traces the transformation of the Republic of Singapore from a poor colony into an Asian powerhouse.
Growing up in poverty in the 1950s, Kishore Mahbubani expected to become a common textile salesman after finishing high school. Instead, a government scholarship sent him to the University of Singapore, and four years later he found himself in the country’s Ministry of Foreign Affairs. Meanwhile, almost none of Mahbubani’s cousins, scattered around the world after India’s brutal partition, from Guyana to Hong Kong, would complete university.
During this same period, Singapore itself was undergoing a metamorphosis. Granted internal self-governance in 1959 and achieving full independence six years later, the country came of age alongside Mahbubani. And as his star rose, so did the nation’s.
In Living the Asian Century, Mahbubani vividly chronicles his own life going from a poor childhood in a multiethnic neighborhood to an illustrious diplomatic career that led him far from Singapore, from Cambodia to Australia, Malaysia to the United States and the UN-including the pinnacle of influence, the Security Council.
Along the way Mahbubani has become one of Asia’s most widely known commentators and spokespeople, with a unique perspective that straddles India, China, and the West.
Has China Won?
https://mahbubani.net/has-china-won/
China and America are world powers without serious rivals. They eye each other warily across the Pacific; they communicate poorly; there seems little natural empathy. A massive geopolitical contest has begun.
America prizes freedom; China values freedom from chaos.
America values strategic decisiveness; China values patience.
America is becoming society of lasting inequality; China a meritocracy.
America has abandoned multilateralism; China welcomes it.
Kishore Mahbubani, a diplomat and scholar with unrivalled access to policymakers in Beijing and Washington, has written the definitive guide to the deep fault lines in the relationship, a clear-eyed assessment of the risk of any confrontation, and a bracingly honest appraisal of the strengths and weaknesses, and superpower eccentricities, of the US and China.